16. Het geld van en voor de begeleidwerkers

16. Het geld van en voor de begeleidwerkers

Zowel het persoonlijk inkomen als de aard van de ondersteuning zijn afhankelijk van het statuut van de begeleidwerkers. Op alle niveaus geldt dat geld krijgen niet vanzelfsprekend is, en dus aan veel voorwaarden onderworpen is.   M.a.w.,  wie geld geeft, wil ook zeggenschap over de besteding er van (en dus controle). Veel voorwaarden overlappen mekaar, en dat maakt het vaak verwarrend.

Het helpt het inzicht te behouden door beide geldstromen goed te onderscheiden: er is de stroom die het inkomen van de cliënt voedt en hem het geld geeft om van te leven.  En er is de geldstroom die het bos van de hulpverlening voedt, om (de gevolgen van) de beperking te overstijgen.  

De meeste personen met een beperking ontvangen als inkomen een federale tegemoetkoming. Zowel de inkomensvervangende tegemoetkoming, de ziekte- en invaliditeitsuitkering als de werkloosheidsuitkering worden federaal, op het niveau van België, uitbetaald. Enkel de kinderbijslag werd intussen Vlaamse materie. Het OCMW is dan weer lokaal. Deze vervangingsinkomens zijn bedoeld om de gewone woon- en leefkosten te kunnen betalen.

Premies die uitgekeerd worden om zorg en ondersteuning in te kopen, situeren zich meestal op Vlaams niveau.

I INKOMEN: GELD OM VAN TE LEVEN

Een vervangingsinkomen is persoonlijk, en wordt aan de persoon zelf gegeven.  Het is dus ook steeds federale materie (in België een belangrijk detail).  Meestal is het ‘subsidiair’ en wordt enkel uitgekeerd als de ontvanger kan aantonen geen ander inkomen te hebben.  

Er zijn 3 grote verdelers van vervangingsinkomens (naast enkele kleinere):

1* FOD sociale Zekerheid: ‘de tegemoetkoming’

1.1. Inkomensvervangende tegemoetkoming

De inkomensvervangende tegemoetkoming wordt door de federale overheidsdienst (FOD) Sociale Zaken toegekend aan een persoon met een handicap waarvan de lichamelijke of psychische beperking zijn verdienvermogen heeft verminderd tot maximaal een derde van wat een gezonde persoon op de gewone arbeidsmarkt kan verdienen.

Het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming komt (ongeveer) overeen met het bestaansminimum. Bij het bepalen van het bedrag wordt rekening gehouden met de inkomsten van de persoon met een handicap én van de personen met wie de persoon met een handicap een huishouden vormt. De persoon met een handicap moet aantonen dat hij alleenstaand, samenwonend of gehuwd is.  Om in aanmerking te komen, moet de aanvrager tussen de 18 en 65 jaar zijn, gedomicilieerd zijn in België en er wettelijk verblijven.

Binnen bepaalde grenzen kunnen personen die deeltijds werken hun tegemoetkoming behouden. Het uitgangspunt is dat ze aan hun betaalde job meer overhouden dan aan hun tegemoetkoming alleen. Meer informatie is te vinden op de website van de FOD Sociale Zaken (www.handicap.fgov.be). Belangrijk is dat de overheidsdienst binnen de drie maanden schriftelijk op de hoogte wordt gebracht.

1.2. Integratietegemoetkoming

De integratietegemoetkoming is meestal (maar niet noodzakelijk) gekoppeld aan de inkomensvervangende tegemoetkoming en wordt toegekend aan een persoon met een handicap die kan aantonen dat de vermindering van zijn zelfredzaamheid bijkomende kosten meebrengt. Hoe ernstiger de beperking, hoe hoger deze tegemoetkoming kan oplopen.

Beide tegemoetkomingen worden aangevraagd bij de gemeente waar de persoon met een handicap ingeschreven is in het bevolkings- of vreemdelingenregister.  Ze kunnen ook rechtstreeks bij de FOD aangevraagd worden. Zowel de sociale dienst van het OCMW als de sociale dienst van de mutualiteit bieden hulp bij de voorbereiding van de aanvraag.

Personen die deze tegemoetkomingen ontvangen, moeten de FOD Sociale Zaken niet op de hoogte brengen van het Begeleid Werken dat zij uitoefenen.

2*  Ziekte- en invaliditeitsuitkering: ‘de ziekenkas’

Iemand die werkt en arbeidsongeschikt wordt, ontvangt de eerste twaalf maanden een uitkering van de ziekteverzekering, via de mutualiteit. Als de arbeidsongeschiktheid langer dan een jaar duurt, krijgt de persoon het statuut van invalide. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt een invaliditeitsuitkering, een vervangingsinkomen dat eveneens uitgekeerd en gecontroleerd wordt via de mutualiteit.

De toekenning van de uitkering verloopt via de mutualiteit. De adviserend geneesheer van de mutualiteit bezorgt aan de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit (GRI) een medisch dossier. Dat dossier vormt de basis voor de erkenning van de invaliditeit. Voor bijkomende inlichtingen kan de GRI contact opnemen met de adviserend geneesheer of de persoon in kwestie uitnodigen voor een gesprek. Zowel de adviserend geneesheer als de GRI heeft de bevoegdheid om een eind te maken aan de periode van invaliditeit.

Binnen de ziekte- en invaliditeitsverzekering wordt Begeleid Werken gezien als een normale activiteit, wat enkel na onderzoek van de situatie wordt toegestaan. Vooraleer de cliënt met Begeleid Werken begint, moet hij contact opnemen met de adviserend geneesheer.

Begeleid Werken kan door de adviserend geneesheer en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeit (RIZIV) toegestaan worden in de formule van ‘onbezoldigd bezoldigd werk’ of ‘gedeeltelijke werkhervatting’. Artikel 100, paragraaf 2 van de wet van 14 juli 1994, artikel 230 van het Koninklijk Besluit van 3 juli 1996 en artikel 16 van de verordening op de uitkeringen laten toe om bezoldigd werk onbezoldigd uit te voeren in het kader van revalidatie.

Begeleid Werken is een werkvorm die niet altijd bekend is bij adviserend geneesheren. Er is vaak nood aan verduidelijking. Bij de schriftelijke motivatie, opgesteld door de jobcoach, wordt het best verwezen naar begrippen als ‘revalidatie’ en ‘therapie’ in plaats van naar begrippen als ‘arbeid’ en ‘werkgever’.

De cliënt Begeleid Werken kan een toestemming of een weigering krijgen. Bij toekenning moet de betrokkene, afhankelijk van de mutualiteit, soms eenmalig of maandelijks een document ‘Bewijs van inkomsten’ aan de mutualiteit bezorgen.

3* Een RVA-uitkering: ‘de dop’

3.1.  Werkloosheidsuitkering

Personen die hun werk verliezen en zo onvrijwillig werkloos worden, kunnen een werkloosheidsuitkering aanvragen bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA). De werkloze ontvangt in principe een uitkering tot hij weer aan het werk gaat. De werkloze moet een controlekaart C3C (stempelkaart) bij zich hebben, of die elektronisch ingevuld hebben.

In principe is de combinatie van werkloosheidsuitkering en werken, zelfs onbezoldigd, onmogelijk. Het decreet op Begeleid Werken uit 2017 heeft ervoor gezorgd dat Begeleid Werken wettelijk toegelaten wordt, mits een advies Welzijn van de VDAB.  De VDAB geeft toestemming via het onlineformulier ‘VOS’(vrijstelling onbezoldigde stage), mits ondersteuning door een VAPH-erkende dienst.  De dienst Begeleid Werken vraagt dit aan.  

3.2. De bijzondere inschakelingsuitkering (BIU)

De BIU is een tijdelijke werkloosheidsvergoeding van max 3 jaar voor mensen die na de wachttijd als schoolverlater niet voldoen aan de voorwaarde van minstens 6 maand gewerkt te hebben.  De BIU stopt dus automatisch na 3 jaar.

3.3. De beschermingsuitkering (wet Peeters)

Wie na de BIU zonder inkomen valt, kan niet automatisch terecht bij FOD, RIZIV of OCMW: veel mensen kwamen in financiële problemen.  Daarom is er sinds 2018 de beschermingsuitkering, die voor mensen met een MMPPS-statuut (bepaald door VDAB als een problematisch samenspel van functiestoornissen met een mentale, psychische, psychiatrische, medische of sociale grond) automatisch aansluit op de BIU.

4* Andere uitkeringen:

4.1. Leefloon (OCMW)

Mensen zonder inkomen kunnen terecht bij het OCMW.  Aanvragen worden individueel bekeken, en opgevolgd door de sociale dienst van het OCMW

4.2. Pensioen

Er bestaan veel pensioenstelsels. Meestal zijn er geen bijkomende voorwaarden voor begeleidwerken.

4.3. Verzekering, anders dan invaliditeit

Hier gelden dezelfde voorwaarden als voor een invaliditeitsuitkering, nl. de toestemming via de adviserend geneesheer.

II ONDERSTEUNING

Dit is meestal Vlaamse materie.  Over het algemeen geeft de Vlaamse overheid subsidies aan hulpverleningsdiensten, gekoppeld aan allerlei voorwaarden, en geen geld rechtstreeks aan de te ondersteunen persoon.  Een dienst begeleidwerken kan alle vormen aanwenden.

1* VAPH : RTH en PVB

Het VAPH is in 2016 grondig hervormd, en heeft 2 grote indelingen.  Het Persoonsvolgend Budget (PVB) wordt wél rechtstreeks in handen gegeven van de gebruiker.  Met dit geld koopt een persoon met een ondersteuningsnood zijn hulp in bij een erkende voorziening.  Dat kan cash, maar kan ook via een voucher (een soort domiciliëring aan een erkende zorgaanbieder) die in punten wordt uitgedrukt.  Het blijft wel geld van het VAPH, beheerd door de gebruiker zelf: hij moet de besteding met facturen kunnen verantwoorden, behalve voor een klein ‘vrij te besteden bedrag’.  De toegang tot een budget is lang (wachttijden van meerdere jaren, ook in dringende situaties) en in veel stappen opgesplitst.  De DOP (dienst Ondersteuningsplan) helpt mensen om deze aanvraag goed te doen, maar ook een jobcoach mag mensen hierbij helpen.

Daarnaast heeft het VAPH met veel vergunde zorgaanbieders een contract voor rechtstreeks toegankelijke hulp (RTH) afgesloten: een dienst begeleidwerken die met RTH-punten werkt, wordt dus rechtstreeks door het VAPH betaald om snel mensen te kunnen verder helpen.  Er moet een ‘vermoeden van handicap’ zijn, de geboden hulp wordt geplafonneerd op 8 punten per persoon per jaar, en de begeleidingen moeten rechtstreeks aan het VAPH (via de GIR) gerapporteerd worden.  RTH en PVB zijn niet combineerbaar.

2 BOB : BASIS ONDERSTEUNINGSBUDGET

De Vlaamse Zorgverzekering keert aan mensen die op een wachtlijst staan en nog nergens terecht kunnen, automatisch een bescheiden bedrag uit (in 2020 300€/mnd) om al een begin van hulp in te kopen. Een hulpvrager kan en hoeft dus niets te doen om het aan te vragen.  Het is een extra-motivatie om over te stappen van PVB naar RTH ( vrij te besteden cash-bedrag bovenop RTH-punten), en ook een extra-compensatie voor wie al lang op de VAPH-wachtlijst voor PG1 of PG2  staat.  Er wordt nu gesproken van een zorgbudget in plaats van een basisondersteuningsbudget.

3 AMA: ARBEIDSMATIGE ACTIVITEITEN

Het departement WVG (Welzijn en Volksgezondheid)  keert een bescheiden maandelijks bedrag uit (in 2021 70€/mnd) aan een erkende dienst voor de begeleiding op de werkvloer van mensen met een haast onoverbrugbare afstand tot de arbeidsmarkt.  Voorwaarde is een VDAB-advies Welzijn, of een toestemming van de adviserend geneesheer.  Ook het departement WSE (Welzijn en Sociale Economie) subsidieert dit, voor 221€/mnd.  Voor AMA-WSE (het vroegere Arbeidszorg) wordt wel een doorstroomperspectief als voorwaarde gesteld, en een strakke opvolging door de VDAB of GTB (advies sociale economie).  De erkenning voor WSE vereist ook een samenwerking met een maatwerkbedrijf.

4 ACTIVERINGSTRAJECTEN

Mits enkele voorwaarden kunnen diensten begeleidwerken ook een rol opnemen als Casemanager Zorg, als Werkactor of als Actor Zorg.  Dit traject wordt geïnitieerd door de VDAB en betaald door zowel WSE als WVG.  Het is beperkt in de tijd (max 18 maand) en sterk gericht op een doorstroming naar betaald werk.

5 BETAALD WERK

Mensen kunnen ook een inkomen uit arbeid krijgen: wie betaald aan het werk is, maar beperkt is in zijn prestaties, kan een VOP (Vlaamse OndersteuningsPremie) aanvragen.  De werknemer met  een beperking krijgt gewoon zijn loon, zoals zijn collega’s, maar de werkgever krijgt een compensatie voor het rendementsverlies.  Dit wordt door de dienst Team Tom (tewerkstellingsOndersteunende Maatregelen)  binnen de VDAB geregeld.  De premie kan oplopen tot 70% van het loon, al is een lager percentage gebruikelijker.



De andere hoofdstukken uit Aan de slag lees je HIER

Lees het document